regel 10: De beginworp

  1. De beginworp bij het begin van de wedstrijd wordt uitgevoerd door het team, dat bij het loten de bal heeft gekozen; het andere team heeft het recht om de speelveldhelft te kiezen. Wordt bij het loten de speelveldhelft gekozen, dan heeft het andere team de beginworp.


  2. Bij het begin van de tweede helft voert het andere team de beginworp uit. Bij een verlenging wordt er opnieuw geloot om de beginworp of speelveldhelft.

  3. Na ieder doelpunt heeft het team tegen wie het doelpunt is gemaakt de beginworp (zie echter 9:2).


  4. De beginworp moet na het fluitsignaal in willekeurige richting vanuit het midden van het speelveld, binnen 3 seconden worden uitgevoerd (13:1h). Degene die de beginworp uitvoert moet met een voet op de middenlijn staan tot de bal de hand verlaten heeft.


  5. Spelers van het aanvallende team mogen de middenlijn voor de uitvoering niet overschrijden (16:1). Overschrijdt een medespeler na het fluitsignaal de middenlijn voordat de bal de hand van de werper verlaten heeft, dan moet een vrije worp aan het verdedigende team worden gegeven (13:1h).

  6. Bij de beginworp aan het begin van elke speelhelft (en van eventuele verlengingen) moeten alle spelers zich op de eigen speelveldhelft bevinden.


  7. Bij de beginworp na een doelpunt mogen de tegenstanders zich echter op beide speelveldhelften ophouden. In beide gevallen dienen de tegenstanders ten minste 3 meter verwijderd te zijn van diegene die de beginworp uitvoert. (16:7)


Terug naar de vorige pagina