regel 16: De uitvoering van worpen

  1. Alle spelers moeten hun plaats overeenkomstig de regels hebben ingenomen.


  2. Een verkeerde uitgangspositie bij de uitvoering van de worpen moet worden gecorrigeerd (zie echter 13:4, 16:7).
    Voor de uitvoering van alle worpen moet de bal zich in de hand van de werper bevinden.

  3. Bij de uitvoering van de beginworp, de inworp, de vrije - worp of de 7 - meterworp moet een deel van een voet ononderbroken in contact met de grond blijven (13:1o). De andere voet mag eventueel herhaaldelijk van de grond opgeheven en weer neergezet worden.


  4. Het spel moet door de scheidsrechters worden ingefloten:


  5. a) bij een spelhervatting (2:4, 10:3, 13:7, 14:3, 15:3)

    b) bij vertraging in de uitvoering van de inworp, uitworp en de vrije worp (11:2, 12:2, 13:2)

    c) na een correctie of vermaning (13:4, 16:7)

    d) na een waarschuwing (17:1)

    e) na een tijdelijke uitsluiting (17:3)

    f) na een diskwalificatie (17:5)

    g) na een definitieve uitsluiting (17:7)

    h) bij een tegengestelde opvatting van de scheidsrechters over het te bestraffen team (18:9).

    Na het fluitsignaal voor een worp moet de werper de bal binnen 3 seconden spelen (13:1o).

  6. Een worp geldt als uitgevoerd, wanneer de bal de hand van de werper heeft verlaten (zie echter 12:2, 15:3).


  7. Bij de uitvoering van een worp mag de bal door de werper niet worden overgegeven aan een medespeler respectievelijk worden aangeraakt door een medespeler (13:1o).

  8. De werper mag de bal weer aanraken, nadat deze een andere speler, de doelpaal of de dwarslat heeft geraakt (13:1o).


  9. Alle worpen (behalve 15:3) kunnen direct tot een doelpunt leiden (zie echter 9:1, 12:2).


  10. Bij de uitvoering van de inworp of vrije worp mag een verkeerde opstelling van de tegenstander door de scheidsrechters niet worden gecorrigeerd, als het team van de werper bij een directe uitvoering geen nadeel ondervindt.
    Ontstaat er een nadeel, dan moet de verkeerde opstelling worden gecorrigeerd (16:3c).

  11. Fluiten de scheidsrechters ondanks de verkeerde opstelling van de tegenstander, dan is de speler die verkeerd staat opgesteld volledig gerechtigd om tot actie over te gaan.

    Indien de tegenstander door te dichtbij staan of andere overtredingen de uitvoering van een worp vertraagt of beïnvloedt, dan moet hij worden gewaarschuwd en bij herhaling tijdelijk uitgesloten (17:1c, 17:3c, zie echter 12:2).


Terug naar de vorige pagina