|
Een verkeerde uitgangspositie bij de uitvoering van de worpen moet worden gecorrigeerd (zie echter 13:4, 16:7). Voor de uitvoering van alle worpen moet de bal zich in de hand van de werper bevinden. a) bij een spelhervatting (2:4, 10:3, 13:7, 14:3, 15:3) b) bij vertraging in de uitvoering van de inworp, uitworp en de vrije worp (11:2, 12:2, 13:2) c) na een correctie of vermaning (13:4, 16:7) d) na een waarschuwing (17:1) e) na een tijdelijke uitsluiting (17:3) f) na een diskwalificatie (17:5) g) na een definitieve uitsluiting (17:7) h) bij een tegengestelde opvatting van de scheidsrechters over het te bestraffen team (18:9). Na het fluitsignaal voor een worp moet de werper de bal binnen 3 seconden spelen (13:1o). Bij de uitvoering van een worp mag de bal door de werper niet worden overgegeven aan een medespeler respectievelijk worden aangeraakt door een medespeler (13:1o). Fluiten de scheidsrechters ondanks de verkeerde opstelling van de tegenstander, dan is de speler die verkeerd staat opgesteld volledig gerechtigd om tot actie over te gaan. Indien de tegenstander door te dichtbij staan of andere overtredingen de uitvoering van een worp vertraagt of beïnvloedt, dan moet hij worden gewaarschuwd en bij herhaling tijdelijk uitgesloten (17:1c, 17:3c, zie echter 12:2). |
