regel 12: De uitworp
- Een uitworp moet worden toegekend wanneer de bal de achterlijn is gepasseerd
(zie echter 5:7, 7:9).
- De uitworp moet zonder fluitsignaal vanuit het doelgebied over de doelgebiedlijn heen worden
uitgevoerd (zie echter 16:3b).
De uitworp geldt als uitgevoerd wanneer de door de doelverdediger gespeelde bal de doelgebiedlijn is gepasseerd.
- Blijft de bal tijdens de wedstrijd in het doelgebied liggen, dan moet de doelverdediger de bal
weer in het spel brengen (zie echter 6:7c).
- De doelverdediger mag na de uitvoering van de uitworp de bal pas weer aanraken, nadat deze door
een andere speler is aangeraakt (5:9, 13:1k).
|