regel 7: Het spelen van de bal

    Het is toegestaan:

  1. de bal met gebruikmaking van handen, armen, hoofd, romp, bovenbeen en knieën te werpen, te vangen, te stoppen, te stoten te slaan of te stompen


  2. de bal maximaal 3 seconden vast te houden, ook wanneer deze op de grond ligt


  3. met de vastgehouden bal ten hoogste 3 passen te maken


  4. Een pas is gemaakt:

    a) wanneer de met beide voeten op de grond staande speler een voet optilt en deze weer neerzet of een voet van een plaats naar een andere plaats beweegt

    b) wanneer een speler met een voet de grond raakt, de bal vangt en daarna met de andere voet de grond raakt

    c) wanneer een speler na een sprong met een voet de grond aanraakt en daarna met dezelfde voet een sprong uitvoert of de grond met de andere voet aanraakt

    d) wanneer een speler na een sprong met beide voeten tegelijk de grond aanraakt en daarna een voet optilt en weer neerzet of een voet van een plaats naar een andere beweegt


    Toelichting

    Wordt een voet van een plaats naar een andere bewogen, dan mag de andere voet worden aangesloten.

  5. de bal zowel op de plaats als in de loop:


  6. a) eenmaal op de grond te stuiten en met een of beide handen weer te vangen

    b) herhaaldelijk met een hand te tippen op de grond of de bal met een hand over de grond herhaald voort te rollen en daarna met een of beide handen de bal weer te vangen of op te rapen

    Zodra de bal daarna met een hand of beide handen wordt vastgepakt, moet hij na ten hoogste 3 passen respectievelijk binnen 3 seconden worden afgespeeld

    Het stuiten of tippen van de bal begint wanneer de speler met enig lichaamsdeel de bal aanraakt en naar de grond speelt.
    Wanneer de bal een andere speler, de doelpalen of dwarslat geraakt heeft, is opnieuw tippen of stuiten en vangen toegestaan.

  7. de bal van de ene hand in de andere over te nemen


  8. de bal knielend, zittend of liggend verder te spelen.



  9. Het is niet toegestaan:

  10. de bal meer dan eenmaal aan te raken, voordat deze ondertussen de grond, een andere speler, de doelpalen of de dwarslat heeft aangeraakt (13:1d).
  11. Vangfouten blijven onbestraft.


    Toelichting

    Een vangfout is gemaakt wanneer de bal bij een poging om hem te vangen of te stoppen niet onder controle wordt gebracht.

    Een reeds onder controle gebrachte bal mag na het tippen of na het stuiten nog slechts eenmaal worden aangeraakt.

  12. de bal met het onderbeen of de voet aan te raken, tenzij een tegenstander de bal tegen de speler aan gooit (13:1d).


  13. de bal opzettelijk over de zijlijn of de eigen achterlijn te spelen (13:1e).


  14. Uitgezonderd is de doelverdediger in het doelgebied, wanneer hij de niet onder controle gebrachte bal over de eigen achterlijn speelt (uitworp).

  15. De bal in het bezit van het eigen team te houden, zonder dat een aanvalsactie of een poging tot een worp op het doel herkenbaar is. Dit is passief spel, dat de scheidsrechter door een waarschuwingsteken (gebaar 19) aan moet geven. Onderneemt het team daarop geen herkenbare poging tot een worp op het doel, dan moet een vrije worp tegen het balbezittende team worden gegeven. Deze moet worden uitgevoerd op de plaats waar de bal zich bij de spelonderbreking bevond (13:1f).


  16. Raakt de bal een scheidsrechter op het speeloppervlak, dan gaat het spel verder.


Terug naar de vorige pagina