regel 11: De inworp
- Een inworp moet worden toegekend, wanneer de bal de zijlijn volledig is gepasseerd of wanneer een
veldspeler van het verdedigende team de bal als laatste heeft aangeraakt en deze daarna de achterlijn passeert
(zie echter 7:9).
- De inworp wordt zonder fluitsignaal (zie echter 16:3b) door het team uitgevoerd, waarvan de spelers
de bal niet als laatste hebben aangeraakt voordat deze over de zij- of achterlijn is gegaan.
- De inworp wordt uitgevoerd op de plaats waar de bal de zijlijn gepasseerd is of aan het einde van
de zijlijn aan de zijde van het doel waar de bal de achterlijn is gepasseerd.
- De werper moet met een voet op de zijlijn staan, tot de bal de hand heeft verlaten. Neerleggen en
weer oppakken of stuiten en weer vangen van de bal door dezelfde speler is niet toegestaan (13:1i).
- De tegenstanders mogen zich bij een inworp niet dichterbij dan 3 meter van de werper bevinden.
Zij mogen zich echter in alle gevallen aan de doelgebiedlijn opstellen, ook als de afstand dan minder dan
3 meter bedraagt.
|